Macro-economische ontwikkelingen en bedrijfsomgeving
Marijs, A.J.; Hulleman, W.
Geplaatst op Maandag 03 februari 2003
H1 – Macro-economie en bedrijfsomgeving
1.1 Economisch handelen en algemene economie
- Welvaart: De beschikking over goederen en diensten voor de bevrediging van behoeften.
- Schaarste: Behoeften beschouwen we als oneindig, maar middelen (bv: grondstoffen, arbeid en machi-nes) zijn beperkt. Er bestaat een voortdurende spanning tussen behoeften en middelen. Middelen zijn voor heel veel doelen inzetbaar, en mensen moeten daarbij keuzes maken welke middelen ze voor de behoeftebevrediging inzetten. Dat is schaarste.
- Economisch handelen: Het streven naar een maximale welvaart m.b.v. schaarse middelen. Het econo-misch handelen speelt zich af in en tussen organisaties.
- Economische wetenschap: Deze bestudeert het economisch handelen. Het is zo complex dat deze in ver-schillende onderdelen uiteenvalt: (globaal onderscheid)
Vakken die de relatie met de omgeving of de omgeving zelf bestuderen. (commerciële economie en algemene economie).
- Algemene economie kan je onderscheiden op de volgende onderwerpen:
- Macro-economie: beschrijving en analyse van allerlei verschijnselen voor een heel land. (vb: con-sumptie van alle gezinnen, investeringen en import &export van alle bedrijven etc.)
- Meso- en micro-economie: Bestuderen de kenmerken van markten en bedrijfstakken waarmee on-dernemingen te maken hebben, de vraag en het aanbod van goederen en de invloed van verande-ringen in de prijs erop.
- Monetaire economie: Houd zich bezig met geld en de rol v/d banken erin.
- Internationale economische betrekkingen: Bestudeert de buitenlandse handel van landen, internati-onale kapitaalstromingen en monetaire betrekkingen tussen landen.
- Economische orde: bestudeert de manier waarop de economie is georganiseerd.
1.2 Algemene economie en bedrijfsomgeving
De bedrijfsomgevingDit zijn de aspecten van de werkelijkheid die van invloed zijn op de gedragingen van een onderneming, op zijn inkopen, verkopen, marktontwikkeling, concurrentie, personeelsbeleid etc. We onderscheiden:
- Directe omgevingsfactoren:
De marktpartijen van de onderneming op haar in- en verkoopmarkten (toeleveranciers, distributiekana-len en afnemers). Er is voortdurend contact, en de onderneming (en haar afdelingen) houdt zich er dage-lijks mee bezig. Elke omgevingsfactor heeft een andere aanpak nodig. Technologie: alleen als de onder-neming zélf aan technologische ontwikkeling doet. - Indirecte omgevingsfactoren:
Werknemers- en werkgeverorganisaties, de overheid en culturele factoren (publieke opinie en media etc.). Geen dagelijkse bemoeienis, maar wel vertegenwoordiging in bijvoorbeeld de werkgeversorgani-saties. De onderneming heeft geringe invloed, maar de invloed van de indirecte omgeving is heel groot. Technologie: als de onderneming niet zélf aan technologische ontwikkeling doet. - Macro-omgeving:
De ruime omgeving van de onderneming, zoals de conjuncturele ontwikkeling, wisselkoersen en prijzen van grondstoffen, demografische ontwikkelingen en belangrijke technologische doorbraken. Onderne-mingen hebben geen invloed, deze factoren wel grote invloed (op ondernemingen).
De verschillende aspecten van de werkelijkheid die in het vak algemene economie aan de orde worden gesteld, oefenen een enorme invloed uit op de resultaten van ondernemingen. (Dat wordt duidelijk gemaakt met figuur 1.2 op blz. 20 van het boek.) In deze figuur zijn de verschillende onderdelen van de resultatenrekening in ver-band gebracht met algemeen-economische variabelen. Deze zijn onder te verdelen in:
- Macro-economische variabelen: Nationale en internationale conjunctuur, de loonsom, de kapitaalinten-siviteit, en de arbeidsproductiviteit.
- Monetaire economie dan wel intern. economische betrekkingen: Theoretische behandeling van wis-selkoersen, wisselkoersstelsels, vermogensmarkten, monetair beleid en dergelijke.
- Micro- en meso-economie: Marktvormen, marktomstandigheden, concurrentiepositie van bedrijven, de technische ontwikkelingen en de kapitaalintensiviteit van ondernemingen.
Men bestudeert de economische werkelijkheid vaak aan de hand van modellen.
- Economische modellen: Vereenvoudigde weergaven van het economische proces, waarin relaties wor-den gelegd tussen verschillende variabelen.
- Ceterisparibusclausule: Vaak staan variabelen onder veel meer invloeden dan we kunnen overzien of in modellen kunnen samenbrengen. Daarom moeten economen uitgaan van de zogenoemde Ceterispa-ribusclausule, dit houdt in dat bij de beschrijving van een oorzaak & gevolg wordt afgezien van alle andere mogelijke zaken die ermee te maken hebben.
- Consistentie: Een belangrijk kenmerk van een model is dat deze consistent moet zijn; er mogen geen tegenstrijdige uitspraken in voorkomen.
- Gegevens: De input v/h model, worden ook wel data, exogenen of veronderstellingen genoemd.
- Relaties: Op de 2e plaats bestaat een model uit 1 of meer relaties, die een verband tussen verschijnse-len leggen
- Uitkomsten: in de 3e plaats zijn er de uitkomsten van een model, ook wel resultaten of endogenen ge-noemd. Zij worden door het model zelf verklaard en voorspeld.
- Wiskundig model: Met behulp van een stelsel van wiskundige vergelijkingen wordt het verband tussen een aantal grootheden weergegeven.
- Boekhoudkundig model: De kringloop wordt in een rekeningenoverzicht weergegeven.
- Verbaal model: Woordelijk weergave van de werkelijkheid.
- Beschrijvend model: Geeft aan hoe een bepaald deel van de werkelijkheid in elkaar zit.
- Verklarend model: Geeft o.b.v. veronderstellingen de oorzaak van een variabele aan..
- Beleidsmodel: Geeft aan hoe met bepaalde instrumenten bepaalde doelen te bereiken zijn.
H2 - Produceren
Inleiding
De belangrijkste vragen van dit hoofdstuk zijn:- Wat hebben behoeftebevrediging en productie met welvaart te maken?
- Welke rol spelen productiefactoren bij het vervaardigen van goederen en diensten?
- Waarom is produceren ofwel toevoegen van waarde hetzelfde als het verwerven van inkomen?
2.1 Welvaart en welzijn
Mensen hebben behoeften, om deze te bevredigen hebben ze allerlei soorten producten nodig. Er zijn 2 soorten behoeften:- Basisbehoeften: Bevrediging van deze behoeften is noodzakelijk voor het fysieke bestaan, ze kunnen be-vredigd worden met bijvoorbeeld voedingsmiddelen, kleding, woonruimte & medische verzorging.
- Overige behoeften: Deze bestaan uit veiligheid, sociale relaties, waardering en zelfontplooiing. Het bevre-digen van deze behoeften kan de kwaliteit van het bestaan ten goede komen.
- Welvaart: Behoeftebevrediging met behulp van goederen en diensten.
- BBP: Bruto Binnenlands Product: De totale productie in een land. Soms spreekt men ook wel van inko-men of de toegevoegde waarde. De belangrijkste maatstaf om de welvaart van landen met elkaar te ver-gelijken
- Productiefactoren: arbeid, kapitaal (machines) & natuur (grondstoffen).
- Feit!: De totale productie in een economie is gelijk aan het totaal verdiende inkomen.
- Economische groei: De groei van de productie. Daardoor kunnen zij voorzien in de toenemende behoef-ten die het gevolg zijn van bevolkingsgroei. (veelal gemeten aan de groei van het BBP)
- Welvaart: De behoeftebevrediging door middel van schaarse goederen en diensten. (!=Economen nemen aan dat de behoeften van mensen oneindig groot zijn, veel groter dan met de beschikbare middelen be-vredigd kunnen worden)
- Welzijn: duidt meer op het welbevinden en de geluksbeleving van mensen in een samenleving.
- Human development Index (HDI): een door het United Nations Development Program ontwikkelde maatstaf om het welzijn v/d bevolking in verschillende landen te meten. Daarbij zijn de volgende aspec-ten betrokken:
- Een lang en gezond leven (de levensverwachting bij de geboorte)
- Kennis, gemeten door Lager, voortgezet en hoger onderwijs
- Een redelijke bevolkingsstandaard: Inkomen per hoofd v/d bevolking.
2.2 Productiefactoren
Productiefactoren:- Arbeid: De beschikbaarheid van deze productiefactor is afhankelijk van de omvang van de bevolking. Uiteraard bieden niet alle inwoners zich aan op de arbeidsmarkt.
- Beroepsgeschikte bevolking: Alle mensen tussen 15 en 65 jaar. Ook in de beroepsge-schikte bevolking biedt niet iedereen zich aan op de arbeidsmarkt.
- Beroepsbevolking: (het aanbod van arbeid) is het deel van de beroepsgeschikte bevolking dat zich voor meer dan 12 uur aanbiedt op de arbeidsmarkt. (dus ook de werklozen! Die bieden zich wél aan). Studerenden en mensen die geen werk zoeken niet.
- Werkgelegenheid: de werkgelegenheid in personen is groter dan die in arbeidsjaren (door parttimerfuncties etc.) .
- De participatiegraad: de beroepsbevolking als percentage van de beroepsgeschikte be-volking.
- Kennis: Door scholing en ervaring wordt de productiefactor arbeid productiever, scholing is te beschouwen als het toevoegen van waarde aan deze productiefactor. In dit verband maakt men ook wel onderscheid tussen basisproductiefactoren (weinig waarde toegevoegd, bijv. ongeschoolde arbeid) en geavanceerde productiefactoren (deze zijn opgewaardeerd, zoals bij geschoolde arbeid).
- Kapitaal: (kapitaalgoederenvoorraad) Dit bestaat uit alle goederen die in het productieproces worden gebruikt.
- Duurzame/ vaste kapitaalgoederen gaan langer dan 1 periode mee (bedrijfsgebouwen, woningen, machines, werktuigen en transportmiddelen, maar ook het uitgebreide stelsel van grond-, weg- en waterbouwkundige werken) Al deze kapitaalgoederen zijn tijdens het pro-ductieproces aan slijtage onderhevig, zij moeten regelmatig vervangen worden. Er moeten vervangingsinvesteringen worden gedaan (afschrijving).
- Vlottende kapitaalgoederen worden verwerkt in het eindproduct, bijvoorbeeld halffabri-katen. (deze moeten nog verder worden verwerkt, zijn nog niet geschikt voor consumptie). Vlottende kapitaalgoederen worden in 1 productieproces verbruikt.
- Hulpstoffen worden tijdens het productieproces verbruikt, maar er is in het eindproduct niets meer van terug te vinden (meubelfabriek maakt gebruik van aardgas tijdens produce-ren).
- kapitaalcoëfficiënt: De voorraad benodigd voor één gulden productie.
- Natuur: Deze productiefactor is om verschillende redenen van belang voor de behoeftebevrediging en voor de productie:
- Grondstoffen: De natuur is de leverancier van grondstoffen (zoals ertsen van metalen als ijzer, aluminium, koper en edelmetalen, maar ook energiedragers als kolen, olie en gas spe-len een belangrijke rol).
- Ligging: De ligging van een land ten opzichte van andere landen bepaald een groot deel van de natuurlijke transportmogelijkheden. Deze zijn essentieel voor int. handel.
- Klimaat: Het klimaat en de bodemgesteldheid bepalen de mogelijkheden voor de land-bouwsector van een land.
- Recreatie: De natuur bied mogelijkheden voor recreatie (geschikt klimaat + voldoende ruimte nodig)
- Water & lucht: Basisbehoeften van de mens (zonder ben je dood, logisch), maar het is ook van belang voor het opnemen en afbreken van afvalstoffen van productie.
2.3 Toegevoegde waarde
Waarde toevoegen = producerenWaarde toevoegen is BBP (Bruto Binnenlands Product)
- Bedrijfstakken: Het CBS deelt ondernemingen in bedrijfstakken, deze bestaan uit ondernemingen die de-zelfde soort producten vervaardigen, bijvoorbeeld de bedrijfstak papierindustrie.
- Bedrijfskolom: Een product doorloopt meestal een aantal opeenvolgende bedrijfstakken voordat het ge-schikt is voor consumptie. De opeenvolgende bedrijfstakken van oerproducent tot consument noemt men een bedrijfskolom.
- Waardesysteem: Het geheel van waardetoevoeging in een bepaalde bedrijfskolom.
- Productiewaarde: Het bedrag waarvoor een bedrijfstak iets (bijvoorbeeld hout) verkoopt.
- Bruto toegevoegde waarde: Het verschil tussen verkopen en inkopen (verkopen – inkopen = toegevoeg-de waarde) BTW dus. Wat doet de fabrikant met zijn toegevoegde waarde:
- Afschrijvingen: de kosten die voortkomen uit het verslijten van machines doorbereken in de prijs van het verkopen. (Netto toegevoegde waarde (NTW): Bruto toegevoegde waarde – afschrijvingen.)
- Indirecte belasting: In de 2e plaats moeten ondernemingen uit de toegevoegde waarde indirect belasting aan de overheid afdragen (zoals belasting op de BTW en accijnzen), deze verrekenen ze in de ver-koopprijs. (de klant betaalt de belasting, maar de onderneming draagt het af) Ze rekenen de belasting dus door. We spreken in dat geval van kostprijsverhogende belasting.
- NTWmp: De toegevoegde waarde inclusief de kostprijsverhogende belastingen gecorrigeerd door de sub-sidies (die bijv. ziekenhuizen krijgen), is de toegevoegde waarde tegen marktprijzen (NTWfk).
- NTWfk: De toegevoegde waarde exclusief deze posten (kostprijsverhogende belastingen en eventuele subsidies) is de toegevoegde waarde tegen factorkosten (NTWfk)
NTWmp – (Kostprijsverhogende belastingen – subsidies) = NTWfk - Het resterende deel deel van de toegevoegde waarde, de NTWfk, is bestemd voor de beloning van de productiefactoren: loon (voor de productiefactor arbeid) en de winst en de rente (= de beloning voor het beschikbaarstellen van vermogen). Er is een belangrijk onderscheid tussen winst & rente:
- Rente: wordt betaald aan de eigenaren van vermogen dat via de kapitaalmarkt (banken) aan onderne-mingen is uitgeleend. Vooraf contractueel vastgelegde vergoedingen.
- Winst: Betaald door bedrijven aan eigenaren van risicodragend kapitaal. (winst= omzet – kosten). Het is voor de eigenaren van het vermogen maar afwachten of er wel winst word gemaakt. Winst wordt daarom ook wel gezien als een vergoeding voor de productiefactor ondernemersschap.
- Winst restpost: Omdat winst een restpost is, geldt dat de som van de beloningen van de productiefactoren gelijk is aan de NTWfk. Productie en inkomen zijn dus aan elkaar gelijk. (alleen voor een héél land).
- Binnenlands product (BP): De producten die met productiefactoren gemaakt worden die binnen de landsgrenzen aanwezig zijn. Maar winst en rente etc. gaat ook naar buitenland (buitenlandse onderne-mingen etc) daartegenover komt er ook een geldstroom ons land binnen. Deze corrigeren = Nationaal inkomen.
- Nationaal inkomen: De productie die met behulp van nationale productiefactoren in binnen- en buiten-land tot stand is gebracht. (de som v/d beloningen v/d Nederlandse productiefactoren)
- Netto nationaal inkomen tegen marktprijzen (NNImp): Loon + winst + rente + pacht (inclusief indirec-te belastingen – kostprijsverlagende subsidies)
- Netto nationaal inkomen tegen factorprijzen (NNIfk): Loon + Winst + rente + pacht.
- Bruto nationaal inkomen tegen marktprijzen (BNImp): Loon + winst + rente + pacht +...
Reactiessgaapie 11 november 2008 @ 16:58 uur dit is zeker een samenvatting van een oud boek ofzo, de hoofdstukken kloppen niet mehmetkomur10 28 augustus 2008 @ 01:18 uur Dit is wel een heel beknopt samenvatting van het boek. Als je alleen de samenvatting leert, zul je heel veel moeite hebben met het tentamen.

